Stroming en getijden

GETIJSTROMEN

Om welke reden men ook de branding opzoekt, het is altijd van belang een goed inzicht te hebben in de gedragingen van de zee.Wie weet hoe de branding ontstaat, hoe de stroom loopt, waar het water diep en ondiep is, wat de invloed van de wind op de branding is, kan daar niet alleen prettig gebruik van maken bij het varen of surfen, maar zal ook minder kans hebben in moeilijkheden te raken.

Waarbij niet vergeten mag worden dat de zee altijd nog gevaarlijk kan zijn. Door het verschijnsel van eb en vloed kennen we langs de Nederlandse kust twee getijstromingen. Ongeveer 2 uur voor hoog water gaat de vloedstroom lopen, evenwijdig aan het strand in noordelijke richting. Deze vloedstroom duurt tot ongeveer 4 uur na de hoogste waterstand. Dan volgt de zogeheten kentering, die circa een uur in beslag neemt, waarna in tegengestelde richting, van noord naar zuid, de ebstroom door gaat staan. Deze duurt van ongeveer 3 uur voor laag water tot 2 uur daarna.

Dat de vloedstroom langer duurt dan de ebstroom is het gevolg van een uitloper van de warme golfstroom die vanuit Het Kanaal door de Noordzee naar het noorden stroomt. Door deze Havard geheten stroom is de vloedstroom doorgaans ook sterker dan de ebstroom.Verder moet opgemerkt worden dat het hier geschetste beeld van het verloop van eb en vloed van plaats kan verschillen. Zo loopt de ebstroom bij Hoek van Holland nog wanneer het al bijna hoog water is en bij Texel begint de vloedstroom al een uur na laag water. Daarbij kan de windrichting en -kracht grote invloed hebben, terwijl de cyclus van hoog en laag water nog springvloed en doodtij kent.

Wanneer zich dat voordoet kan men veelal zien in getijdetafels, die in elk geval de tijden van hoog en laag water aangeven voor een bepaalde plaats op een bepaalde datum. Want doordat er een periode van ± 12 uur en 25 minuten zit tussen twee opvolgende tijdstippen van hoog water, verschuift de tijdkring van eb en vloed.

WINDSTROMEN

Ook door de wind ontstaat stroom. De wind brengt het oppervlaktewater in beweging en dan spreekt men van windstroom. In ons land waait de wind vaak uit het noordwesten en het zuiden. Dat betekent in het eerste geval een zeewind langs de kust van Noord- en Zuid Holland en in het tweede een landwind. Bij zeewind wordt het oppervlaktewater naar het strand gestuwd en heeft men een bovenstroom gericht naar de kust. Daar echter het aangevoerde water ook weer terug naar zee moet, ontstaat er een onderstroom in tegengestelde richting. Bij landwind is de situatie net andersom.

De onderstroom is dan in de richting van het strand. Hoe sterker de wind, hoe krachtiger de bovenstroom is en ook de onderstroom. Hoewel zwemmers het meest met deze soort stromingen te maken hebben (iedereen weet hoe een naar zee gerichte onderstroom kan trekken) is het goed te weten dat ze bestaan. Mocht men onverhoopt het contact met de boot verliezen en naar de kust moeten zwemmen, dan kan men van deze wetenschap gebruik maken. Het komt ook voor dat de wind evenwijdig aan de kust waait. Dan heeft men geen boven- of onderstroom maar een parallel aan de kust lopende windstroom. Deze noemt men zoper en daar heeft men als zeiler, kanoër of windsurfer wel mee te maken.

DE ZEEBODEM

Door de getij- en de windstromen zijn voor de kust zandbanken ontstaan. Ze liggen in rijen evenwijdig aan de kust, maximaal 4 rijen zoals bij Zandvoort en Bloemendaal tot 2 op andere plaatsen. De zandbanken breken de kracht van de naar het strand rollende golven en vormen zo een natuurlijke bescherming. Tussen Petten en Camperduin zijn geen zandbanken. De geulen die tussen de zandbanken evenwijdig aan de kust lopen noemt men zwinnen. Het eerste zwin ligt tussen het strand en de eerste bank, die bij laag water meestal droog komt te liggen. Het tweede zwin vindt men achter de eerste bank en zo heeft iedere bank en ieder zwin een nummer.

De banken zijn niet altijd even hoog. Vooral na een langere periode van oostenwind zijn de banken hoger, tussen de zwinnen zijn ook verbindingen. Dat zijn geulen die de zandbanken in stukken verdelen. Deze geulen heten muien. Deze muien zijn er gekomen doordat het water bij zakkend tij zich een weg zocht naar zee. Bij vallend water staat er in de muien dan ook een sterke zeewaartse stroom, die berucht is bij zwemmers, maar waarvan men varend met een boot of met een surfplank gebruik kan maken om door de branding te komen. Hoe sneller het water valt, hoe sterker de ‘trek’ in de muien. Een trek die nog krachtiger is als de muien in de banken in elkaars verlengde liggen.Tijdens de kenteringen en bij de vloedstroom heeft men die zeewaartse stroom niet.

BRANDING

Branding ontstaat doordat de naar het strand gestuwde golven door de oplopende zeebodem worden geremd. De toppen van de golven gaan evenwel door, de voorkant van de golf wordt hol, de golftop valt mét een witte schuimkop om en men heeft wat we branding noemen. Uiteraard wordt een golf door een zandbank extra geremd en hoe meer banken hoe rustiger het water uiteindelijk bij de strandlijn is. Het is logisch dat waar de zandbanken worden onderbroken door muien de branding minder onstuimig is. Het water is er dieper en de golven worden minder afgeremd. Schuimkoppen op het water geven derhalve aan waar de zandbanken liggen.

GOLFBREKERS

Op sommige plaatsen langs de kust treft men golfbrekers aan als extra bescherming van de duinen. Onder andere op het gedeelte van ’s Gravenzande tot Wassenaar, bij Schoorl en op vele plaatsen in Zeeland. Het zijn gevaarlijke obstakels voor iedereen die met een boot de zee in gaat en het is zaak deze van blokken steen opgebouwde dammen niet te raken. Daarvoor is het nodig te weten hoe de stroom bij zo’n golfbreker verloopt.

Het is logisch dat het langs de kust stromende water door de golfbreker in de richting van de zee wordt afgevoerd. Door de stroom buiten de. breker, die niet wordt gehinderd, wordt deze naar zee gaande stroom om de kop van de dam gebogen en door het samengaan van de twee stromen wordt de kracht van de stroom aanzienlijk versterkt. Het water dat de kop van de golfbreker is gepasseerd, stroomt gedeeltelijk evenwijdig langs de kust verder, terwijl een ander deel naar de kust zal stromen. Hierdoor ontstaat een stroom die de Noor wordt genoemd. Ook bij deze stromen moet men bedenken dat windrichting en kracht de sterkte van de stroom beinvloeden.

CONCLUSIES

Getijstromen

Buiten de zandbanken heeft men het meest te maken met de getijstromen. Om de kracht te schatten moet de wind daarbij betrokken worden. Een zuidelijke wind zal de vloedstroom versterken en een noordelijke wind de ebstroom. Daarbij speelt een rol of het een paar dagen uit een of andere richting hard gewaaid heeft, waardoor het water de Noordzee tegen de vernauwing van Het Kanaal is opgestuwd of in het noorden is weggevloeid. In normale omstandigheden varieert de stroom langs de kust tot maximaal 4 kilometer per uur. De stroom is het sterkst op het tijdstip van hoog water.

Zandbanken

Door de verhoging van de zeebodem krullen de golven om en bij de zandbanken is de branding dan ook het hevigst. Bovendien is het water daar ondieper dan op andere plaatsen. Doordat de golven op de banken breken, kan men zien waar de zandbanken zich bevinden. Bij de achterste bank is de meeste branding.

Zwinnen

Hier is het water vrij rustig en dat houdt in dat brandingvaarders zich hier gereed maken om de branding door te varen. Windsurfers trekken bijvoorbeeld hun zeil uit het water in een zwin.

Muien

Deze geulen door de zandbanken zijn dieper, waardoor er minder branding zal zijn. Dat kan het gemakkelijker maken door de branding te varen, terwijl doordat er meer water staat, zeilers hun roer kunnen gebruiken en windsurfers gebruik kunnen maken van hun zwaard. Bovendien kan men profiteren van een stroom naar zee tijdens de ebstroom.

Golfbrekers

Als gevolg van de ombuiging van de getijstroom heeft het geen zin, als men bovenstrooms van een pier zit, te proberen naar het strand te komen. In dat geval kan men het beste de stroom volgen en achter de pier, door al dan niet gebruik te maken van de neer, naar het strand te varen.