Zeiltheorie

Hieronder een stuk relevante catamaran zeiltheorie. Deze theorie is nog volledig nog perfect. Wel kan het helpen bij het begrijpen van catamaran zeilen. Lees dit dus gerust ter voorbereiding  (of naslag) van een les of cursus.

ONDERDELEN
Zoals bekend hebben zeilers een eigen taal, de catamaranzeilers maken het nog gekker, vandaar deze lijst van enkele specifieke catamaran onderdelen:romp of drijver,achterbeam, voorbeam, trampoline, overloop, schootblok, roer, helmstok, crossbar, joystick, hangbanden, mast, grootzeil, fok, stagen, trapeze, grootschoot, fokkeschoot

DE WINDROOS Om een goede indruk te krijgen op welke manier de wind effect heeft op je koers en zeilstand kun je het beste voorstellen dat je in het middelpunt zit van een grote klok, waarbij 12 uur de windrichting aangeeft. Het gebied tussen 10 en 2 uur wordt aangegeven als de dode hoek in dit gebied kan je niet zeilen, de boot gaat niet vooruit wat je ook maar probeert.
i101689542_90407_7

TELL TAILS
Deze zullen je helpen met het overbruggen van het verschil; schijnbare- en werkelijke wind. Tell tails zijn niet het verlengstuk van het ‘vaantje’, maar geven andere stromingen weer, de stromingen die langs je zeil lopen Mocht je eventueel te hoog aan de wind varen (uitgaande van aangetrokken schoten), dan zullen de tell tails aan loef (de kant van het schip waarover de wind binnenkomt) omhoog gaan zwabberen. Vaar je te laag dan gaan te tell tails aan lij zwabberen,
Hou in principe je koers dus zo dat de tell tails zowel aan loef als aan lij parallel naar achteren lopen, in dit geval heb je de juist koers, of benader je hem.
Er bestaan zeilers die zonder enige vorm van theoretische wedstrijdkennis een wedstrijd winnen, dit zijn zonder enige twijfel mensen met een zogenaamd ‘gouden handje’. Mensen die zuiver gevoelsmatig hun kruisrak varen. Voor mensen die dit ‘gouden handje’ missen bestaat er echter toch een hulpmiddel om eventuele wedstrijden te winnen.

AAN DE WIND VAREN
Het op de meest rendabele manier aan de wind varen is eigenlijk het moeilijkste bij zeilen dat bestaat. Dit geldt met name voor een catamaran.
Vaar je iets te hoog dan neemt je snelheid enorm af, vaar je iets te laag dan zal je snelheid nauwelijks toenemen maar kom je uiteraard hoogte te kort. De ideale lijn ligt hier tussenin, het is een compromis tussen hoogte en snelheid. Het is een moeilijke zaak om een getal uit de gradenboog te noemen i.v.m. de verschillende windsterkten, maar als gemiddelde kun je het beste zo’n 48 graden aanhouden.
Tijdens wedstrijden zullen meestal in dit rak de grote verschillen plaatsvinden, dit is voornamelijk te wijten aan de steeds draaiende wind (schijnbare wind, waar wij het later nog over zullen hebben), maar deels ook aan het handhaven van de ‘ideale’ koers. Er is verteld waar deze ongeveer ligt, maar het je aanleren kunnen wij niet.

TUSSEN AAN EN HALVE WIND
Dit is een koers die iets ruimer ligt dan aan de wind. Hier kunnen vooral met lichtere wind de grotere snelheden worden behaald. Deze koers komt met wedstrijden onder normale omstandigheden gelukkig niet voor. Met opzet wordt gesteld ‘gelukkig’ omdat een rak tussen twee boeien welk ‘bezeild’ zou zijn (dus een ruim rak) nauwelijks interessant zou kunnen zijn. Hier is namelijk maar 1 koers goed en dat is de direkte lijn van boei naar boei. De grootschoot zal bij deze stand nauwelijks worden gevierd, slechts zal de overloop iets ruimte worden gegeven. Ditzelfde geldt uiteraard voor de overloop van de fok. Het gewicht van de bemanning zal iets naar achteren worden gebracht. Het uithangen van beide bemanningsleden in de trapeze zal dan al gauw vereist zijn. In het bijzonder op deze rakken en op de halve windse rakken zul je merken dat een catamaran de neiging heeft te duiken. Schrik hier niet van. Het gebeurt werkelijk iedereen. Zeker die mensen die net een catamaran hebben aangeschaft.

HALVE WIND
D.w.z. de wind staat nu haaks op de boot, komt dus recht over de loefromp binnen. Onder normale omstandigheden haalt de catamaran hier zijn topsnelheid. Deze rakken zijn met name voor het publiek het meest interessantste onderdeel van een zeilwedstrijd. Hier immers kunnen zij pas zien wie in welke positie ligt, plus het feit dat er zeer spectaculaire dingen gebeuren. Ditzelfde geldt voor de wedstrijdzeiler, zeker wanneer hij in het middenveld of achterveld zit, Zo’n zeiler weet namelijk ook pas na het ronden van de eerste boei op welke plaats hij zich bevindt.

RUIME WIND
Op deze koers is het gevaar van duiken erg aanwezig. De overloop van fok en grootzeil staan geheel naar buiten en de schoten worden ook behoorlijk gevierd, zeker wanneer een vlaag inkomt.
Een vlaag komt namelijk altijd ruimer in doordat de werkelijke wind op dat moment overheerst boven de schijnbare wind. (De snelheid van de boot heeft zich nog niet aangepast aan de nieuwe windsterkte). Als je snelheid nu toeneemt kun je de schoten weer verder doorhalen, dit moet zeker gebeuren op het moment dat de wind voorbij is, (Nu overheerst de snelheid van de boot boven de windsterkte). Op deze koers zul je in principe geen topsnelheid halen, maar blijft toch zeer spectaculair door het zogenaamde ‘surfen’, wat in deze koers is ingebouwd.
De wind komt van schuin achter en de golven in de meeste gevallen dan ook. Pakt zo’n golf je op, dan zal je snelheid enorm toenemen (hierbij vergeten we niet de schoten iets aan te halen, de schijnbare wind gaat immers toenemen) Het afsurfen van de golven gaat meestal niet automatisch, je zal er zelf iets voor moeten doen. Kijk veelvuldig achter je of zich daar een leuke golf vormt. Is dit het geval dan loef je iets op en trekt hierbij de schoten aan. Het is namelijk de bedoeling dat je de snelheid van het schip aanpast aan die van de golf. (Een golf gaat erg snel en door iets op te loeven vergroot je je eigen snelheid) Wanneer je op een golf zit moet je afvallen en maak je meer snelheid. Voel je dan dat je op de golf blijft ‘hangen’, dan zul je van de golf afglijden. Doe je deze handelingen niet, dan zullen de golven in de meeste gevallen gewoon onder je door rollen, hetgeen op zich totaal niet gevaarlijk is maar we proberen nu eenmaal altijd de optimale snelheid uit ons schip te halen.

ENKELE BELANGRIJKE TERMEN
1 – Bakboord = de linkerzijde van een boot (als je aan het roer zit en naar voren kijkt is het de linkerkant van de boot).
2 – Stuurboord = de rechterzijde van de boot.
3 – Oploeven= de boot met de neus naar de
wind toe sturen.
4 -Afvallen = de boot met de neus van de
wind af sturen.
5 – Lijzijde/lage kant = de kant waar de wind van de
boot afwaait.
6 – Loefzijde/hoge kant = de kant waar de wind tegen de boot opwaait.
Wat we met een catamaran In tactisch opzicht te kort komen in het kruisrak, (door het langzame overstag gaan van een catamaran wordt het kruisrak slechts in een paar slagen gevaren) wordt in het voor de windse rak weer goed gemaakt. Het echte ‘plat voor het laken’ varen komt haast niet voor, doordat een catamaran op deze koers een minimale snelheid heeft.
Varen we een iets hogere koers, bv, ‘schuin achter’, dan neemt de snelheid weer toe. Zo ontstaat het zogenaamde ‘afkruisen’. Door dit afkruisen in een veld wedstrijdzeilers zich voor de wind, net zo goed als in h et kruisrak, gaan verdelen. Het gevolg hiervan is dat elke windschifting effect heeft op jouw positie, maar doordat ‘gijpen’ nauwelijks snelheidsverlies oplevert, kun je juist gemakkelijker van deze schifting profiteren. Slechts bij zeer licht weer (windsnelheden tot bijv.. 5 meter per seconde) zal het echte ‘voor de wind’ varen, (het blijft uiteindelijk de kortste weg) je meer rendement opleveren.

STURENDE WERKING VAN DE ZEILEN
Een boot kan je van richting laten veranderen m b v. je roer, dat weet iedereen. Echter je kunt ook m.b.v. je zeilen sturen.
Oploeven
– fok los
– grootzeil strak aanhalen
Afvallen
– fok aan
– grootzeil laten vieren

OVERSTAG / OPKRUISENI LAVEREN
Om naar een punt toe te zeilen wat in de dode hoek ligt, zal wat problemen geven. Zoals we al gelezen hebben bij de windroos is dat een boot niet in de dode hoek kan zeilen. Je kan er niet rechtstreeks naar toe varen maar wat je wel kan doen is er zigzaggend naar toe te varen met een koers die het dichtste licht bij de dode hoek ligt, aan de wind dus. Dit noemen we ook wel laveren of opkruisen (zie tek.). In de tekening kan je zien dat we 2 keer met de boot door de dode hoek heendraaien Deze manoeuvre noemen we overstag gaan’.
Bij punt 1 zie je dat de boot aan de wind over bakboort vaart. Bij punt 2 gaat de boot overstag, waar. na hij weer aan de wind gaat varen maar nu met de zeilen over stuurboord (zie punt 3). De Overstagmanoeuvre is een moeilijke manoeuvre (vooral op een catamaran) dus gaan we hier uitgebreid op in
1. Actie stuurman:
– Aan de wind zeilen
– Zorg voor genoeg ruimte
– Probeer zoveel mogelijk snelheid te maken
– Geef commando, klaar om te wenden.
Aktie fokkenmaat:
– Zorg dat de fokkeschoot aan lij- en loefzijde klaarligt – Verplaats je gewicht naar voren
2. Actie stuurman:
– Roep het commando “REE”
– Ga op je knieën zitten en loef tevens op.
– Trek je grootschoot zover mogelijk aan
– Kijk naar voren.
Actie fokkenmaat:
– Op de knieën verplaatsen naar de fokkeschootklem aan de lijzijde.
3. Aktie stuurman (zodra fok bak slaat):
– Grootzeil laten vieren (ca. 60cm laten vieren)
– Joystick verplaatsen naar lijzijde verplaatsen en met behulp van de crossbar blijven
sturen
Actie fokkenmaat:
– Hou de fok bak maar haal de fokkeschoot uit de klem
4. Actie stuurman (zodra het grootzeil bolslaat naar nieuwe lijzijde):
– Roer verplaatsen naar midscheeps (rechtdoor sturen) – Verplaats jezelf op je knieën naar de nieuwe lijzijde
– Controleer of je aan de wind zeilt.
Actie fokkenmaat:
– Trek de fok aan op de nieuwe lijzijde en ga goed zitten op de loefromp.
5. Aktie stuurman:
– Neem de joystick onder je oksel en laat de crossbar los – Ga zitten op de loefromp
– Trek de grootschoot aan.

GIJPEN
Gijpen doen wanneer we willen afkruizen.
1. Actie stuurman:
– Ruime wind zeilen
– Traveller zover mogelijk naar lijzijde verplaatsen – Grootschoot laten vieren
– Zorg voor genoeg ruimte tijdens manoeuvre. Actie fokkenmaat:
– Verplaats gewicht naar voren
– Leg fokkeschoot klaar.
2. Actie stuurman:
– Leg joystick aan nieuwe lijzijde, hand aan de crossbar en blijf koers houden – Verplaats jezelf op de knieen naar het midden van de achterbeam
– Ga met je rug richting mast zitten.
3. Actie Stuurman:
– Roep “Klaar voor de gijp”
– Pak de schootbundel vast in het midden
– Val af tot voor de wind en kijk geregeld over je schouder naar voren Actie fokkenmaat:
– Ga in het midden zitten onder de giek, en let op de fok.
4. Actie Stuurman (zodra fok inklapt, voordewindse koers)
– Roer midscheeps houden (rechtdoor sturen)
– Verplaats grootzeil naar nieuwe lijzijde (pak in het midden je grootschoot over in je andere hand waarmee je stuurt).
Actie fokkenmaat:
– Verplaats je naar nieuwe loefzijde
– Trek fok aan op de nieuwe lijzijde en gooi de klem aan de andere kant los.
5. Actie Stuurman (zodra grootzeil aan de nieuwe lijzijde staat):
– Verplaats je naar nieuwe loefzijde
– Loef op tot ruime windse koers
– Pak Joystick onder je oksel
– Neem plaats op de nieuwe loefromp – Trek je grootschoot aan.
Actie fokkenmaat:
– Neem plaats op de nieuwe loefromp
– Verplaats je gewicht naar achteren (afhankelijk van de windkracht)

AFVAREN EN AANKOMEN
Als je voor het eerst ‘s morgens wegvaart met de catamaran moet je altijd een controlerondje om de cat maken. Dit omdat het niet de eerste keer zal zijn dat iemand zonder bijv. vastgedraaide loosdopjes wegzeilt.
Als je dus ’s morgens voor de eerste keer wegzeilt controleer dan de volgende punten (neem als startplek de voorkant van de cat):
– Is de halshoek van de fok goed bevestigd – Zit de fokkeschoot niet in de klem
– Zit de fokkeschoot niet gedraaid
– Is de voorlijkstrekker goed ingeregen
– Controleer de oprichtlijn
– Controleer de verbinding van de zijstagen met de boot – Controleer de loop van de grootschoot + traveller
– Controleer of de loosdopjes vastgedraaid zijn.
1 Bepaal eerst over welke boeg je wegzeilt (hou rekening met de stroming en de grootste hoek die de wind met de kust maakt). Zodra je dit bepaald hebt trek dan de cat met de neus in de wind het water op. Zodra het water tot je knieën komt maak je de boot klaar voor het wegzeilen.Voer daarvoor de volgende punten uit:
– Haal de voorlijkstrekker van van je grootzeil aan.
– Zorg ervoor dat het grootzeil en de traveller helemaal gevierd is.
– Steek je loefroerblad gedeeltelijk in het water.
– Stap aan de loefzijde op (fokkenist stapt als laatste op)
– Trek de fokkeschoot en grootschoot aan.
– Zeil weg (regel met je grootzeil de snelheid) en zodra het diep genoeg is stop je beide roerbladen in het water –
(voorzichtig!!) niet bij de crossbar maar bij de helmstok, boot in de wind leggen of bijna in de wind
– Ga goed zitten en trek als laatste je grootschoot geheel aan.

AFVAREN
Vaar altijd van het strand weg in de grootste hoek die de wind met het strand maakt.

AANKOMEN
Zorg bij het aankomen volgende punten:
– Minder je snelheid (zeilen vieren, en laat de golven onder je doorrollen)
– Zorg ervoor dat de golven recht van achteren komen
– Gooi de fok los zodra roerbladen opklappen
– Zodra de cat vastloopt op het strand, gooi je alle schoten
uit de klemmen
– De fokkenist stapt af via de loefzijde van de boot en loopt
naar de voorkant van de cat om aan de bridles de boot zo
goed mogelijk in de wind te houden
– Daarna stapt de stuurman aan de loefzijde af om beide
roerbladen omhoog te klappen.
– De cat het strand optrekken, zorg er wel voor dat de cat
met de neus in de wind blijft liggen.
– Neerhaler losmaken.

DUIKEN
Een catamaran heeft een lastige eigenschap (ook wel opwindende) en dat is dat ze de neiging heeft om te gaan duiken tijdens een ruime of halve windse koers. Duiken ontstaat door te veel druk in de zeilen en te weinig drijfvermogen in de lijromp die daardoor onder water gedrukt wordt.
De platte bovenzijde van de romp heeft veel waterweerstand waardoor die sterk afgeremd wordt en de catamaran zal door z’n snelheid over de kop kunnen slaan. Hoe sterker de wind hoe groter het gevaar voor duiken. Een Hobie Cat 16 is een bijvoorbeeld een cat die gevoelig is voor duiken door het geringe luchtvolume
(dus drijfvermogen) voor in de romp. De volgende maatregelen kunnen genomen worden om het duiken tegen te gaan;
Ruime windse koers:
1 – Fok en grootzeil vieren
2 – Gewicht naar achteren verplaatsen 3 – Licht afvallen
Halve windse koers:
1 – Fok en grootzeil vieren
2 – Gewicht naar achteren verplaatsen 3 – Licht oploeven

VEILIGHEIDSREGELS
Een veilig gevoel krijg je pas als je weet dat je je boot na het omslaan weer recht kunt trekken en hierna door te varen alsof er niets is gebeurd.Vandaar dat we op het onderdeel ,omslaan’ uitgebreid zullen ingaan. Mocht dit je afschrikken, dan het volgende ruggesteuntje: Was bij vroegere boottypen na omslaan het zeilplezier over, of een wedstrijd beëindigd, nu is het een normaal onderdeel van het zeilen geworden.Voor we een boot recht kunnen trekken moeten we echter wel zekerheid hebben over de kwaliteit van onze materialen.
Zo kan veel water in de rompen, of een lekke mast, het ‘rechtzetten’ onmogelijk maken. Bij de Nacra’s wordt standaard een absoluut waterdichte mast geleverd. Toch kan het moeilijk zijn met slechts één persoon een Nacra 570 recht te trekken. De oorzaak hiervan ligt dan voornamelijk in een gebrek aan gewicht en/of wind. In de meeste gevallen lig je na het omslaan in het water maar mocht je nog ‘lekker droog’ op de hoge romp zitten, zorg dan dat je daar zo snel mogelijk weg komt. Dit blijven zitten zou alleen maar het ‘doorkenteren’ bevorderen. Wel moeten we zorgen dat we, als we in het water liggen, onmiddellijk iets van de boot vastpakken. Ook een omgeslagen catamaran kan soms een behoorlijke snelheid halen.
1. Maak alle schoten,grootzeil traveller en neerhaler los en kijk of de joystick niet in het zeil ligt. Draai de boot zo dat de mast naar de wind toe ligt (weinig wind). Met veel wind zorg je dat de cat met de voorkant in de wind ligt. Doe dit met één persoon te duwen of trekken aan de voorkant en de andere persoon bij de achterbeam of gewoon beide aan de voorkant.
2. Ga met gestrekte benen en je lichaam uit het water aan het oprichtkoord hangen. LET OP! nooit op de zijkanten van de boot gaan staan en niet met je knieën op de boot klimmen, hierdoor krijg je deuken in de rompen. Nu moet je wat geduld hebben aangezien de laatste meter van de mast nog onder water ligt en het water nog uit het zeil moet.
3. Zorg er voor dat wanneer de boot omhoog komt je niet met je rug in het water ligt.
4. De mast komt nu omhoog, wacht op het dode punt en ga dan door je knieen en pak de dolphinstrijker goed vast.
5. Wacht tot de boot stil ligt en klim er dan via de voorkant weer op.
1. Deze boot is doorgeslagen met de mast naar de bodem.Ga van de boot af, en kijk welke kant van de romp omhoog komt. Ga op de andere romp zitten. Pak nu de het oprichtkoord en leg hem om de romp die omhoog wil. Ga nu naar achteren, richting het roer.
2. Wacht tot de mast omhoog komt.

VOORRANGSREGELS
Net zoals op het land heb je ook op het water voorrangsregels. De regels die in ons vaarwater hoofdzakelijk van toepassing zijn, zijn o.a.:
1. Beroepsvaart heeft voorrang op de recreatievaart.
2. Bakboord gaat voor op stuurboord. (De b gaat voor de s in het alfabet). Dus als je zeilt en je hebt je zeilen over
bakboord en je komt een andere zeilboot tegen die zijn zeilen over stuurboord heeft dan heb jij voorrang op die andere zeilboot. Kom je nu een zeilboot tegen die zijn zeilen over dezelfde boeg heeft als jouw zeilen dan treedt regel 3 in werking.
3. Loef wijkt voor lij, of anders gezegd een zeilboot die hoger (scherper) aan de wind vaart heeft voorrang op een boot die lager aan de wind vaart.
4. Schepen in vaargeulen hebben voorrang.
5. Dit is een geschreven regel heel belangrijk, als je kan uitwijken en de andere niet
geef hem dan voorrang ook al heeft hij dat niet.

DE THEORIE VAN HET BRANDINGZEILEN
Om eerst even een misverstand recht te zetten het volgende: We noemen het zeilen op zee met kleinere boten die vanaf het strand starten, altijd brandingzeilen. Echter het werkelijke brandingzeilen duurt hooguit enkele minuten om daarna onder in feite gewone omstandigheden op zee te varen.Toch zijn die enkele minuten van brandingzeilen zeer belangrijk.We moeten immers allemaal door deze barrière heen voor het zeilen op’open zee’ begint. Er zijn ook sommige zeilers die het zeilen in de branding dermate enerverend en spectakulair vinden dat ze er de hele dag doorheen crossen. je zult begrijpen dat dit onderdeel van het zeilen niet zonder gevaar is en een zeer speciale techniek behoeft. Deze techniek wordt tijdens het theoretische gedeelte van de cursusdag behandeld, maar in grote lijnen zullen wij hier nu reeds op in gaan.
Het grote gevaar van het brandingzeilen schuilt in de omkrullende golven. Golven ontstaan vrijwel altijd door beroering van het wateroppervlak door de wind, waarna de golven zich ontwikkelen in grootte, al naar gelang de windsterkte, wateroppervlakte en diepte van het water. Ook midden op de Noordzee kunnen aanzienlijke golven voorkomen (hoogst gemeten golf. 9 meter van golftop tot golfdal) maar deze hebben bij het bereiken van de kust, door het ondieper worden, hun grootste hoogte al verloren. Uiteindelijk komt zo’n golf op de voorste van de meestal drie banken die voor de kust liggen en dan ontstaat er branding. Het onderste deel van -de golf wordt dan namelijk enorm geremd terwijl het bovenste deel gewoon doorgaat en van het onderste deel afvalt. Dit noemen we het omkrullen of ontbranden van de golf. Deze golven rollen niet zomaar onder je door maar slaan boven op je schip, of nemen je mee naar de kust. Ze vormen meer een muur dan een helling.

DOOR DE BRANDING NAAR BUITEN
Uitgaande van de meest voorkomende en meest ongunstige windrichting, namelijk recht uit zee, is het verstandig met een ruimere koers dan ‘aan de wind’ de branding door te gaan. Door de grotere snelheid die je dan hebt kun je gemakkelijker manoeuvreren, maar het belangrijkste is dat je schip neutraler op de roeren ligt. Dit klinkt enigszins vreemd maar vergeet niet dat je vooral bij de aanvang maar een klein laagje water onder je schip hebt en daardoor nauwelijks je roeren naar beneden kunt doen.Je bent dus voor het besturen van je schip voor een groot deel aangewezen op je
zeilen. Met je zeilen kun je sturen, het volgende moeten wij hierbij goed onthouden:
Vrijwel de meeste zeilschepen hebben een zwaard of een kiel. Dit onderdeel, welke bedoeld is om ‘afdrift’ te voorkomen,vormt voor de zeilboot het laterale- of draaipunt. Bij de asymmetrische Hobie’s die geen zwaard of kiel hebben bestaat er toch een lateraalpunt, al is het niet zo nauwkeurig bepaald als bij zwaard- of kielboten. Ook hier ligt één van de oorzaken van het iets moeilijker overstag gaan van een Hobie cat dan van bv. een Nacra of Tornado, twee catamarans die wel met zwaarden zijn uitgerust. Welnu, dit laterale punt scheidt het totale zeiloppervlak in ongeveer twee gelijke delen. Laten we het grootzeil vieren dan wordt dus het zeiloppervlak voor het laterale punt groter dan achter het laterale punt, dit heeft tot gevolg dat de boot, zonder de roeren aan te raken, zal gaan afvallen.
Trekken we het grootzeil aan en laten de fok klapperen, dan zal de boot gaan oploeven. Vertrekken we vanaf het strand en hebben we grootzeil en fok evenredig aangehaald, met daarbij de roeren in een bijna achterwaartse stand, dan bemerken we dat de boot niets liever wil dan met z’n neus aan de wind draaien. Dit zouden we kunnen tegengaan door hard aan het roer te trekken, maar hier is een enorme kracht voor nodig. Beter is het om deze ‘loefgierigheid’ tegen te gaan door je fok geheel aan te halen en je grootzeil slechts in geringe mate.
Bij de Hobie 14,die zonder fok is uitgerust,gaat dit uiteraard niet op, voor dit boottype geldt dat je je grootschoot zover aanhaalt dat je boot nog net niet uit het roer dreigt te lopen. Een van de ergste fouten die je bij het ‘door de branding naar buiten gaan’ kunt maken, is het proberen na de eerste bank je roet-en naar beneden te krijgen. In de eerste plaats is dit meestal vrij zinloos omdat de tweede bank je roeren weer opslaat, maar zo’n handeling vraagt om schade. Op het moment dat je, met je rug naar de mast gekeerd, bezig bent je roeren in het slot te krijgen, heb je totaal gen zicht meer op hetgeen vóór je gebeurd. De volgende roller is er eerder
dan je denkt, plus het feit dat je gewicht op dat moment veel te ver naar achteren ligt, maken het ‘achteroverslaan’ bijna onvermijdelijk. De rekening krijg je dan gepresenteerd in de vorm van; gebroken zeillatten, gescheurd zeil, gebroken mast en vaak komen de rompen ook niet helemaal gaaf uit de strijd.  WACHT DUS MET HET LATEN ZAKKEN VAN DE ROEREN TOT BUITEN DE BRANDING
Zoals gezegd, gaan we bij zeewind niet op een aan-de-windse koers de branding door. Dit doen we op een ruimere koers, echter totdat we bij de eerste golf zijn, dan sturen we ,namelijk op. Zou de golf ons dwars raken, dan verliezen we de contróle over het schip volkomen, met vaak als eindresultaat … omslaan. Komt de golf bijna van voren, waarbij we de neuzen van het schip laag houden, dan is de weerstand veel geringer en behouden we volledige contróle, mits we tijdig zijn afgevallen op onze oorspronkelijke koers. Dit afvallen doen we reeds als de golf nog onder het schip zit. Zouden we hiermee te laat zijn dan lopen we het risico volkomen zonder snelheid (en dus roerloos) in de wind te blijven liggen. Om uit deze benarde situatie te komen kunnen we maar één ding doen en dat is de giek met je hand naar buiten te duwen en tegelijkertijd met de roeren tegen te sturen.
Snel kom je nu weer op de oorspronkelijke koers terug. Trek na dit ‘afglijden’ met een ruk aan je roeren en haal langzaam het grootzeil weer in. In hoeverre je moet opsturen en afvallen om de branding door te komen, is weer afhankelijk van je snelheid. Is je snelheid erg hoog, dan kun je de golf schuiner aansnijden dan bij ,lagere snelheid. Ook behoef je minder te letten op het laag houden van de neuzen van je schip, je springt dan als het ware over de golf heen.
De hiervoor besproken problemen gelden specifiek voor een ‘zeewind’. Waait de wind parallel aan de kust, dan wordt het allemaal een stuk eenvoudiger. De golven in de branding staan dan weliswaar nog vaak recht op de kust (zie tek.) maar de marge waarbinnen we kunnen zeilen is veel groter. Door afremming (gevolg van de oplopende bodem) aan de kustzijde van de golf, waaiert deze uiteindelijk recht op de kust uit. Deze omstandigheid is beslist de leukste om het brandingzeilen te beoefenen.Anders ligt dit wanneer er een ‘landwind’ waait, van branding is nauwelijks sprake en ‘voor de wind’ wegvaren is al evenmin spectaculair. Toch heeft ook deze windrichting z’n aantrekkelijke kant want op ca. 300 meter uit de kust (i.v.m. de windschaduw van de duinen) kun je met een matige tot krachtige wind enorme snelheden op de halve windse rakken, juist door het niet aanwezig zijn van golven.

DOOR DE BRANDINGTERUG NAAR HET STRAND
Als we weer uitgaan van een ‘zeewind’ moeten we ook terug door de branding naar het strand een ruimere koers aanhouden. Dus niet zoals je in dit geval zou verwachten een voor de windse koers. De reden hiervan vinden we gedeeltelijk terug in de behandeling van het artikel ‘met de wind schuin achter’. Surfen is hier namelijk belangrijker geworden dan zeilen. Het is wel mogelijk om in z’n situatie recht voor de wind naar de kust te zeilen, maar het is weinig spectaculair en de kans dat je, nadat je bent opgepakt door een golf, uit het roer loopt, en daardoor in dit geval een onvoorziene gijp maakt, is zeer groot. Doe dit dus niet maar peil vooraf wat je landingsplaats zal zijn en zet hierop een schuine koers af.
Wat betreft de surftechniek als zodanig kun je volledig terugvallen op voornoemd artikel, echter nu geldt ook weer dat een golf die dwars inkomt niet onder je door rolt maar je oppakt en wegzet, of nog erger, die je omgooit. Hierop is één uitzondering, het kan voorkomen dat een golf achter jezich dermate hoog heeft opgebouwd, dat je door zijn windschaduw geen druk meer in je zeilen hebt. In dat geval is er maar één oplossing; afvallen totdat de golf recht op je spiegels komt en zodra de golf je oppakt, je gewicht zover mogelijk naar achteren brengen. Vergeet bij al deze handelingen niet je ‘joystick’ heel goed vast te houden om die ‘onvoorziene gijp’ te voorkomen. Z’n golf zal je boot, als je er de contróle over houdt beslist tot op het strand brengen. Zelfs bij licht weer komt het voor de er hoge golven staan. Dit is dan te wijten (of te danken) aan harde wind van de vorige dag, of aan harde wind verderop in zee. Ook deze golven moet je recht op je spiegels zien te houden, dit lukt alleen maar door tijdens het afvallen flink met je zeilen te ‘pompen’ en je gewicht naar voren te brengen. Het zojuist gebruikte woord ‘pompen’, behoeft enige uitleg. Pompen met zeilen is het met een ruk inhalen en het langzaam uitvieren van grootschoot en fokkeschoot. Door dit snel inhalen van de zeilen krijg je een incidentele snelheidsvergroting zodat jouw boot op dat moment meer de snelheid van de golf benadert met als gevolg dat deze je makkelijk oppakt. Dit pompen kun je zonodig enkele malen achter elkaar herhalen.

TRAPEZE HANGEN
Elke catamaranzeiler droomt er van om bij windkracht drie of vier in snelle vaart over het water te gaan. Dit zal u nooit vervelen, het is pure snelheid zonder angst.
1. Zitten en inhakenen met de’kont’over de rand hangen.Met uw voorste hand houdt u de hand greep vast plus de fokkeschoot. De andere hand zet u tussen u en de stuurman op de romp (duim en vingers naar boven).
2. Zet uw voorste voet op de romp,hang iets schuin naar-achterennaardestuurmanensteunnogsteedsmetde achterste hand op de romp (hierdoor blijf je naar de voorkant van de boot kijken en kan je eventueel reageren op de golven).
3.Strek de voorste voet enplaats de andere voet er bij.Ga nu strekken,hou uw knieën een beetje gebogen en de rug rechthouden. Laat nu uw hand los, pak de fokkeschoot in uw achterste hand vast en houdt u in balans. Houdt de voeten in het begin iets uit elkaar en ga na mate u uw balans gevonden heeft steeds dichter met de voeten naar elkaar toe.

TRIMMEN VAN DE CAT
Voorlijk
Fok
– weinig spanning op het voorlijk: sterke bolling voor weinig wind
– veel spanning op het voorlijk: vlak zeil voor sterke wind Grootzeil zie fok.
Achterlijk (verstaging)
Diamantverstaging
Dit geldt alleen voor boten met diamantverstaging.
– diamantverstaging losser – meer mastbuiging masttop buigt makkelijk weg zodat het zeil “Loost” – minder bolling in het grootzeil instelling voor meer wind
– diamantverstaging strakker – minder mastbuiging – meer bolling in het zeil – instelling voor minder wind.
Achterlijk (zeilen)
– veel spanning op het achterlijk, vlak zeil sterke wind
– weinig spanning op het achterlijk bol zeil weinig wind
Er zijn twee soorten zeilen één met giek en één zonder giek. De boten met giek hebben iets meer trimmogelijkheden.
Mast trim
– mast recht – boot vaart recht vooruit
– mast naar achteren – boot wordt loefgierig – mast naar voren – boot wordt lijgierig

Catamaranschool Zeehelden werkt samen met KZVW en heeft als primaire doelstelling het bevorderen van de watersport aan de noordzeekust.